Viktor en Annet zijn in gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd. Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort de echtelijke woning. Op 17 juni 2009 gaan ze uit elkaar. Annet verlaat de woning en neemt elders haar intrek. In 2010 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden. Viktor woont nog altijd in de voormalig echtelijke woning, die nog niet is verkocht of verdeeld. Annet vordert een gebruiksvergoeding van Viktor voor de echtelijke woning. De rechtbank wijst het verzoek toe en stelt de door Viktor aan Annet te betalen gebruiksvergoeding met ingang van 17 juni 2009 vast op € 231 per maand.

 

In hoger beroep betoogt Viktor dat hij alle lasten van de woning voldoet, zodat de gebruiksvergoeding op nihil dient te worden bepaald. Indien het hof van oordeel is dat hij wel een gebruiksvergoeding verschuldigd is, dan moet voor de berekening daarvan van een lager rentepercentage worden uitgegaan dan van het door de rechtbank gehanteerde percentage van 4%.

 

Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 3:169 BW kan een gebruiksvergoeding door Annet worden gevorderd. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot artikel 3:169 BW volgt dat een deelgenoot, die een goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, verplicht is die andere deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen.

 

In casu geldt derhalve als uitgangspunt dat Viktor – voor de periode dat hij de voormalig echtelijke woning met uitsluiting van Annet gebruikt – aan Annet een gebruiksvergoeding dient te betalen. Naar het oordeel van het hof is er onvoldoende aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken op grond van de enkele omstandigheid dat Viktor alle lasten van de woning voldoet; dat Annet die lasten niet zou hoeven te voldoen, betekent namelijk nog niet dat zij daarmee is gecompenseerd voor het feit dat zij verstoken is gebleven van het gebruik van de woning. Daar komt bij dat voldoende aannemelijk is geworden dat Viktor de verkoop van de woning opzettelijk heeft vertraagd en Annet daarmee heeft belast met het voortduren van een situatie van onverdeeldheid, waarin zij verstoken blijft van het gebruik en genot van de woning.

 

Aan het standpunt van Viktor dat niet uitgegaan moet worden van een rentepercentage van 4%, maar van een lager rentepercentage, gaat het hof voorbij. Met de gebruiksvergoeding wordt beoogd de echtgenoot/mede-eigenaar die de echtelijke woning verlaat, schadeloos te stellen voor het feit dat deze, zolang de andere echtgenoot gebruikmaakt van de woning, verstoken blijft van zijn/haar aandeel in de waarde van de woning. De hier bedoelde schade zal veelal hierin bestaan dat de echtgenoot die uit de woning is vertrokken de kosten van herhuisvesting extern moet financieren. Ten tijde van het uiteengaan van partijen, in juni 2009, was het niet ongebruikelijk dat met een dergelijke financiering ten minste een rentepercentage van 4% was gemoeid. Het hof ziet dan ook geen reden om af te wijken van het door de rechtbank gehanteerde rentepercentage van 4%.
Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

 

[pexcirclecta pex_attr_small_title=”Heeft u een vraag naar aanleiding van dit artikel?” pex_attr_title=”Neem gerust contact met ons op!” pex_attr_button_text=”contact” pex_attr_button_link=”/contact” pex_attr_button_link_open=”same” pex_attr_button_color=”AE3537″][/pexcirclecta]