Marijn en Valerie zijn in 2016 gescheiden. In hun echtscheidingsconvenant – wat opgesteld is door een mediator – hebben zij afspraken gemaakt over de door Marijn aan Valerie te betalen partneralimentatie. Artikel 2 lid 2 van het door de mediator opgestelde convenant luidt: ‘De verplichting van de man om uit hoofde van de echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de vrouw komt o.g.v. art. 1:160 BW definitief te vervallen wanneer de man duurzaam samenwoont met een nieuwe partner als waren zij gehuwden of geregistreerd partners.’ In december 2017 gaat Marijn samenwonen met zijn nieuwe vriendin Linda en stopt hij zijn alimentatiebetalingen aan Valerie.

Valerie verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren (1) dat artikel 2 lid 2 van het door de mediator opgestelde echtscheidingsconvenant als volgt moet worden gelezen: ‘De verplichting van de man om uit hoofde van de echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de vrouw komt o.g.v. art. 1:160 BW definitief te vervallen wanneer de vrouw duurzaam samenwoont met een nieuwe partner als waren zij gehuwden of geregistreerd partners’ en (2) dat Marijn nog altijd alimentatieplichtig is jegens haar.

Volgens Valerie is Marijn ten onrechte gestopt met het betalen van de partneralimentatie. Artikel 1:160 BW ziet er namelijk op dat de onderhoudsverplichting stopt als de alimentatiegerechtigde (en dus niet de alimentatieplichtige!) gaat trouwen of samenleven met een ander als waren zij gehuwd. Artikel 2 lid 2 van het convenant is dus innerlijk tegenstrijdig, omdat het afwijkt van de werkelijke inhoud van artikel 1:160 BW. Het is duidelijk dat er sprake is van een verschrijving door de mediator, aldus Valerie.

Marijn geeft aan dat het convenant is opgesteld door de mediator en dat partijen er vanuit gingen dat de inhoud juist was. De tekst van artikel 2 lid 2 is duidelijk en beide partijen gingen hiermee akkoord. Marijn wist niet wat er in artikel 1:160 BW stond en ging af op wat de mediator voorlas. Marijn wijst erop dat er vooraf geen conceptversies van het convenant aan partijen zijn toegestuurd. De mediator haalde een voorbeeld van een convenant van internet en paste dat aan naar de tekst die voor partijen van toepassing was. Marijn ging ervan uit dat alles klopte, ook omdat de afspraken hem goed pasten en hij daarin een bepaalde logica zag. Hij was immers van plan om op termijn met zijn vriendin Linda te gaan samenwonen.

Bij de beoordeling van het verzoek gaat de rechtbank uit van de tekst van het convenant. Daarnaast is ook de zin die partijen in de geven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en wat zij hiervan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex-criterium) relevant.

Op grond van de omstandigheden dat (1) alleen de mediator betrokken was bij de totstandkoming van het convenant, (2) er geen mogelijkheid is geboden om een conceptversie aan een (deskundige) ander voor te leggen vóórdat partijen het convenant sloten en (3) Marijn de inhoud van artikel 1:160 BW niet kende, is de rechtbank van oordeel dat Marijn ervan uit mocht gaan dat de tekst van het convenant juist was. De tekst is daarom leidend en deze laat geen ruimte voor interpretatie. Er kan dan ook geen sprake zijn van een verschil in interpretatie en er is geen leemte die moet worden aangevuld. De rechtbank wijst het verzoek af.

Uit deze zaak volgt maar weer hoe belangrijk het is om een gespecialiseerde mediator in te schakelen bij familierechtzaken. Een mediator die deskundig is en jullie voldoende kan informeren omtrent de verschillende opties en de wettelijke normen en maatstaven. Een mediator waar je een klik mee hebt en die met je mee denkt!

Wampie van Arkel en Anouk Hansma helpen je hier graag bij.