Merel vindt dat haar situatie met Peter als samenwoners vergelijkbaar is met die van een in gemeenschap van goederen getrouwd stel. Om die reden is zij van mening dat zij recht heeft op de helft van het saldo van de en/of-rekening, ook al heeft Peter hier meer geld op gestort. Krijgt zij dit voor elkaar?

Peter en Merel hebben een relatie met elkaar en wonen samen. Tijdens de relatie spaart Peter van zijn inkomen in totaal € 625.000, welk bedrag staat geparkeerd op de en/of-rekening van hem en Merel. In het zicht van de breuk maakt Merel de helft van dit bedrag (€ 312.500) over naar haar eigen bankrekening. Inmiddels zijn ze uit elkaar.

Peter vordert van Merel terugbetaling van de € 312.500. Merel stelt dat zij en Peter een stilzwijgende overeenkomst hebben gesloten, inhoudende dat tussen hen sprake is van allesomvattende gemeenschap van goederen net als bij een huwelijk. Volgens Merel blijkt dit uit de wijze waarop zij samen hebben geleefd en gehandeld. Mocht er geen stilzwijgende overeenkomst tussen hen tot stand zijn gekomen, dan is sprake van een natuurlijke verbintenis van Peter jegens haar, aldus Merel.

Beslissing

De rechtbank overweegt als volgt. De Nederlandse wet biedt geen regeling die de juridische verhouding tussen samenwonende partners regelt, zoals het huwelijksvermogensrecht dat voor echtgenoten en geregistreerde partners wel doet. Dit brengt met zich dat het feit dat partners gaan samenwonen geen vermogensrechtelijke gevolgen heeft. Er ontstaat geen allesomvattende gemeenschap goederen. Zolang de relatie tussen de beide partners voortduurt, blijven hun vermogens gescheiden. Als de partners uiteengaan, vindt een verdeling van het vermogen in goederenrechtelijke zin alleen plaats als tussen hen een gemeenschap is ontstaan, bijvoorbeeld doordat zij gezamenlijk spullen hebben gekocht.

Evenmin bestaat er een algemene rechtsregel die samenwonende partners verplicht om bij het verbreken van hun relatie de waarde van bepaalde vermogensbestanddelen met elkaar te verrekenen; ook niet als de samenwonende partners hebben geleefd “als ware zij gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen”.

Als partijen dit overeenkomen, dan moet er wel verrekend worden. Slechts bij hoge uitzondering kan worden aangenomen dat zonder een overeenkomst een gehoudenheid bestaat om de waarde van bijvoorbeeld de woning die aan één van hen toebehoort, te verdelen alsof deze aan hen gemeenschappelijk toebehoort.

Ook als moet worden aangenomen dat Peter en Merel stilzwijgend een “huwelijksgemeenschap” zijn overeengekomen, of de door Merel gestelde natuurlijke verbintenis tot stand is gekomen, heeft dit geen enkel goederenrechtelijk effect. Door enkele wilsovereenstemming kan geen goederenrechtelijke gemeenschap ontstaan. De wilsovereenstemming van partijen kan er alleen toe leiden dat zij zich hebben verbonden om tot een bepaalde waardeverrekening te komen, bijvoorbeeld dat ieder van hen per saldo voor een waarde verkrijgt alsof er een wettelijke gemeenschap van goederen tussen partijen bestaat.

Voor de rechtsgeldige totstandkoming van een overeenkomst is altijd vereist dat er een aanbod moet zijn gedaan dat is aanvaard. Dat aanbod moet voor de wederpartij kenbaar zijn en bovendien gericht zijn op de inhoud van de overeenkomst. Alleen dan kan de wederpartij een wil tot aanvaarding hebben ontwikkeld en een daarmee overeenstemmende wilsverklaring doen. Door Merel zijn geen concrete stellingen ingenomen waaruit blijkt dat een aanbod is gedaan door Peter om voortaan te leven alsof zij gehuwd zijn in de wettelijke gemeenschap van goederen. Evenmin heeft zij concrete stellingen ingenomen waaruit volgt dat zich bij Peter een daarop gerichte wil heeft gevormd. De rechtbank neemt verder in overweging dat Peter een beroep op wilsontbreken heeft gedaan.

Uit de rechtspraak volgt dat een mededeling of gedraging van Peter niet per se is vereist en dat zijn stilzwijgen gerechtvaardigd vertrouwen in de zin van artikel 3:35 BW zou kunnen opwekken. Merel noemt echter artikel 3:35 BW niet en laat tevens na om op de toepassing van dit artikel gerichte stellingen in te nemen. Reeds hierop stuiten de vorderingen van Merel, voor zover gegrond op de stelling dat er tussen partijen een stilzwijgende overeenkomst tot stand is gekomen, af.

Voor zover Merel aan haar vorderingen een natuurlijke verbintenis ten grondslag ligt, laat de rechtbank die grondslag verder onbesproken. Immers, een natuurlijke verbintenis is niet afdwingbaar en gesteld noch gebleken is dat de natuurlijke verbintenis is omgezet in een afdwingbare overeenkomst (artikel 6:3 BW en artikel 6:5 jo. 3:303 BW).

Conclusie

Het vermogen van Peter en Merel is dus altijd gescheiden gebleven en een verrekening daarvan door Merel kan niet worden verlangd. Merel moet Peter dan ook € 312.500 terugbetalen.

Procedures in het familierecht zijn als tijd onzeker. Het is dus van groot belang om in dergelijke zaken bijstand te zoeken van een gespecialiseerde familierechtadvocaat die jou hierbij kan helpen en samen met jou kan afwegen of het zinvol is om een dergelijk onderzoek te laten uitvoeren op dit moment. Een advocaat waar je een klik mee hebt, die met je meedenkt en de schade voor jou en de andere betrokken zoveel mogelijk probeert te beperken. Nog beter is om het overleg te zoeken en zo tot een oplossing te komen waar jullie beiden achter kunnen staan.

Wampie van Arkel en Anouk Hansma helpen je hier graag bij.