Manuel en Veronique zijn in 2013 met elkaar getrouwd. Manuel is zelfstandig ondernemer en oefent zijn tandartspraktijk uit in B.V.-vorm, die onder een holding hangt. In 2017 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden.


De rechtbank heeft de behoefte van Veronique berekend op ruim € 78.000 bruto per maand en de door Manuel aan Veronique te betalen partneralimentatie vastgesteld op € 15.545 per maand. Manuel gaat in hoger beroep. Volgens hem ontbreekt het hem aan draagkracht om enige alimentatie aan Veronique te kunnen betalen.


Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat partijen er een zeer luxueuze levensstijl op nahielden en dat de door Manuel aangegeven behoefte van Veronique van slechts € 3.549 netto per maand daarmee in schril contrast staat. Partijen woonden in een grote villa en hadden de beschikking over meerdere buitenhuizen kostbare auto’s. Ook de overige uitgaven, zoals voor luxe vakanties, waren hoog. Manuel kon deze uitgaven financieren uit zijn inkomen en door het laten oplopen van zijn rekening-courant schuld tot de bizarre hoogte van € 4.400.000 en een geldlening voor de woning van € 1.500.0000 bij zijn holding. Uitgaande van de hoge levensstandaard van partijen, begroot het hof de behoefte van Veronique in redelijkheid op € 6.150 netto per maand, ofwel € 12.300 bruto per maand.


Gezien het feit dat Veronique geen zorg heeft voor kinderen uit het huwelijk met Manuel, zij een arbeidsverleden heeft en partijen al meer dan twee jaar feitelijk uit elkaar zijn, acht het hof het redelijk om uit te gaan van een verdiencapaciteit van Veronique gelijk aan het minimumloon. Maar ook als van dat inkomen wordt uitgegaan, blijft er een aanzienlijke aanvullende behoefte van Veronique over.


Gezien de hoogte van de door Manuel bij de holding aangegane schulden, waartegenover een substantieel lagere waarde aan bezittingen staat, acht het hof het verder laten oplopen van de rekening-courantschuld onverantwoord, nu daardoor de voortgang van de holding in gevaar komt en dit ook tot ernstige fiscale problemen kan leiden. Het is in het belang van beide partijen dat de rekening-courantschuld door Manuel op kortst mogelijke termijn wordt teruggebracht. Indien dit niet gebeurt, kan dat inhouden dat de fiscus de aan Manuel door de holding verstrekte leningen zal herkwalificeren als uitkeringen van dividend (omdat aflossing van deze leningen onmogelijk lijkt te zijn), wat bij Manuel tot een IB-aanslag van ruim € 1.000.000 zou leiden. Manuel heeft geen € 1.000.000 in contanten tot zijn beschikking en een aanslag en invordering zal dan kunnen leiden tot zijn persoonlijke faillissement. Daar heeft Veronique ook geen baat bij, aangezien dan elke alimentatie van Manuel komt te vervallen of wordt opgeschort. Het hof is daarom van oordeel dat Manuel de winst uit de holding en zijn B.V. volledig dient aan te wenden ter aflossing van zijn rekening-courantschuld.

Voor de berekening van zijn draagkracht houdt het hof echter geen rekening met de door Manuel opgevoerde aflossingen op kredieten bij de Rabobank. Het hof is van oordeel dat Manuel deze schulden eenvoudig kan aflossen. Manuel kan immers daartoe bijvoorbeeld de door hem voor € 85.000 aangeschafte hobbyauto verkopen. Ook verkoop van de woning op Curaçao kan leiden tot middelen waarmee de schulden kunnen worden afgelost. Ook van Manuel kan een inspanning worden verlangd, mede bezien de belangen van Veronique in deze, nu zij niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.


Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en stelt de door Manuel aan Veronique te betalen partneralimentatie vast op € 2.478 per maand.


Gerechtshof Den Haag 24 april 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:903