Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk tussen Lex en Eva zijn twee kinderen geboren: Emma in 1991 en Tim in 1992. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij Eva. De rechtbank heeft de door Lex aan Eva te betalen kinderalimentatie vastgesteld. Na het bereiken van hun 18-jarige leeftijd blijft Lex kinderalimentatie aan Eva betalen. Contact met Tim en Emma heeft hij niet meer.
In 2015 stelt de rechtbank de door Lex ten behoeve van Emma te betalen onderhoudsbijdrage met ingang van 1 april 2009 op nihil, en die ten behoeve van Tim met ingang van 1 januari 2011.

Lex vordert terugbetaling door Eva van het door hem aan haar onverschuldigd betaalde bedrag aan kinderalimentatie, van in totaal € 11.378. De rechtbank wijst de vordering toe tot een bedrag van € 4.765. Lex gaat in hoger beroep. Volgens hem wist Eva – of kon zij begrijpen – dat zijn onderhoudsbijdrage voor Emma en Tim kon worden gestopt, toen zij jong-meerderjarig werken en zelf allebei gingen werken (en dus aardig wat geld gingen verdienen) en geen behoefte meer hadden aan een onderhoudsbijdrage van Lex. Eva beroept zich op de beschermingsbepaling van artikel 6:204 lid 2 BW: zij wist niet (en kon ook niet weten) dat de onderhoudsbijdragen onterecht werden betaald.

Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat Eva ook na het 18e levensjaar van de kinderen de financiën van de kinderen is blijven verzorgen. Het feit dat zij dacht dat Lex hoe dan ook tot het 21e levensjaar van de kinderen kinderalimentatie diende te betalen, geeft geen antwoord op de vraag of zij al dan niet te goeder trouw is in de zin van artikel 6:204 lid 2 BW. Lex had geen contact met de kinderen en was niet op de hoogte van het feit dat zij aanzienlijke inkomsten hadden en de mogelijke gevolgen daarvan voor zijn betalingsverplichting. Eva had zich dienen te realiseren dat de inkomsten van de jong-meerderjarige kinderen gevolgen konden hebben voor de kinderalimentatie van Lex. Het had op haar weg gelegen, alvorens zij de kinderalimentatie doorbetaalde aan de kinderen, Lex te informeren over de inkomsten van de kinderen, dan wel de kinderen opdracht te geven hun vader te informeren over hun inkomsten. Nu zij dit niet heeft gedaan, is het hof van oordeel dat zij onzorgvuldig jegens Lex heeft gehandeld, zodat haar geen beroep toekomt op artikel 6:204 lid 2 BW.

Eva heeft dus geld van Lex ontvangen dat niet voor haar bestemd was. Het feit dat zij het geld (mogelijk) heeft doorbetaald aan de kinderen, komt voor haar rekening en risico. Het ligt op de weg van Eva om de kinderalimentatie die zij heeft betaald aan de kinderen van hen terug te vorderen. Eva heeft zelf verklaard dat de kinderen hebben gespaard. Haar financiële positie is derhalve niet relevant, nog daargelaten dat zij ook geen inzicht daarin heeft gegeven.

Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vordering van Lex alsnog toe.

Een procedure in het familierecht is onzeker. Op voorhand is vaak niet te zeggen wat de uitkomst van een procedure zal zijn, aangezien alle omstandigheden van het geval een rol spelen en niet altijd is in te schatten aan welke omstandigheden een rechter meer gewicht toekent. Garanties kunnen niet gegeven worden. De uitkomst is dus ook afhankelijk van de zittende rechter. Natuurlijk valt en staat het met een goede onderbouwing van de standpunten. Het is dus van groot belang om in dergelijke zaken bijstand te zoeken van een gespecialiseerde familierechtadvocaat die jou hierbij kan helpen. Een advocaat waar je een klik mee hebt en die met je meedenkt.

Wampie van Arkel en Anouk Hansma helpen je hier graag bij!