Zelfstandig ondernemer Louis is in 2012 weduwnaar geworden. In 2013 krijgt hij een relatie met Charlotte. In 2014 koopt zij een woning voor € 400.000. Louis leent haar hiervoor, vanuit zijn onderneming, € 300.000, waarvoor Charlotte hypothecaire zekerheid stelt. De resterende € 100.000 maakt Louis op 19 juni 2014 over naar haar bankrekening, met als omschrijving ‘schenking ten behoeve van eigen huis’. In januari 2017 verbreken Louis en Charlotte hun (LAT-)relatie.

Louis wil de € 100.000 terug. Volgens hem betrof de overboeking op 19 juni 2014 een lening. Charlotte betwist dat; volgens haar was sprake van een schenking. De rechtbank wijst de vordering van Louis af. Hij beslist vervolgens om in hoger beroep te gaan.

Het hof overweegt als volgt. Tegenover de gemotiveerde betwisting door Charlotte, had het op de weg van Louis gelegen om nadere feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat er tussen hen een geldlening was overeengekomen. In het licht van de (e-mail)correspondentie tussen Louis en Charlotte in 2016 en 2017 (waarin duidelijk over een schenking wordt gesproken) en de omschrijving van Louis bij de overschrijving, heeft Louis niet voldaan aan de op hem rustende stelplicht. Daartoe is van belang dat Louis op 29 januari 2017 aan Charlotte heeft geschreven ‘Ik heb je een schenking gedaan waar ik sinds 1 januari 2016 al spijt van heb’. En dat terwijl voor Louis, als zakenman, medeoprichter en directeur van meerdere bedrijven, het verschil tussen een schenking en een lening duidelijk moet zijn.

Bovendien heeft Louis ervoor gekozen om ten aanzien van de betaling van € 100.000 niets schriftelijk vast te leggen, terwijl de hypothecaire geldlening van € 300.000 wel (notarieel) is vastgelegd. Dat Charlotte op enig moment de intentie heeft uitgesproken het bedrag van € 100.000 te willen terugbetalen (zoals zij in januari 2016 aan Louis per e-mail duidelijk maakte), maakt niet dat zij daarmee heeft erkend dat tussen hen een geldlening is overeengekomen. Charlotte kan de morele plicht hebben gevoeld om de schenking te willen terugbetalen, maar een morele plicht is, ook als deze kwalificeert als een natuurlijke verbintenis (in de zin van art. 6:3 BW ), niet afdwingbaar. Nu geen sprake is van een overeenkomst van geldlening, staat in rechte vast dat sprake is van een schenking.

Volgens Louis is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar ( art. 6:248 lid 2 jo. 6:2 lid 2 BW ) om hem aan deze schenking te houden. Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat Louis de relatie met Charlotte heeft verbroken. De beëindiging van de relatie heeft geen gevolgen voor de betreffende schenking. Louis heeft onvoldoende gemotiveerd op grond waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat de gevolgen van de schenking in deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zouden zijn.

Louis is een zakenman en is, als medeoprichter en directeur, betrokken bij meerdere bedrijven. Hij weet wat het verschil is tussen een schenking en een lening. Louis heeft aan de schenking geen voorwaarden verbonden (zoals bestendigheid van de relatie) en heeft zelf de schenking geïnitieerd. Hij wist (of had kunnen weten) dat een relatie op enig moment zou kunnen eindigen. Indien Louis ervoor wilde zorgen dat hij de schenking zou terugkrijgen als de relatie zou eindigen (dan wel indien zij niet zouden gaan samenwonen), had hij hiervoor een voorziening moeten en kunnen treffen in een overeenkomst, dan wel dit duidelijk moeten aangeven (bijvoorbeeld bij de overschrijving) toen hij de schenking deed.

Louis beroept zich vervolgens op misbruik van omstandigheden ( art. 3:44 lid 4 BW ): door samenwoning in het vooruitzicht te stellen, heeft Charlotte hem bewogen bedoelde overboeking te doen. Het hof volgt dat standpunt niet. Louis heeft erkend dat het zijn voorstel was om de slotfinanciering (van € 100.000) te regelen middels een schenking aan Charlotte en dat dat ‘niet op papier gezet hoefde te worden’. Gesteld noch gebleken is dat Louis door bijzondere omstandigheden is bewogen tot het verrichten van de schenking. Zijn stelling dat hij toen ‘zwak en kwetsbaar’ was, wordt niet gedragen door andere feiten en omstandigheden; zo is er geen verklaring van een arts uit die periode waaruit de ‘zwakke en kwetsbare’ gemoedstoestand van Louis volgt.

Louis beroept zich voorts op dwaling. Volgens hem is sprake van een onjuiste mededeling ( art. 6:228 lid 1 sub a BW ) door Charlotte: anders dan zij hem steeds voorhield, had Charlotte niet de intentie om met hem te gaan samenwonen. Dat argument snijdt volgens het hof geen hout. De intentie om ooit (of op termijn) te gaan samenwonen, is – in het kader van een relatie – een zuivere toekomstverwachting, die aan verandering onderhevig kan zijn en om die reden geen grond kan opleveren voor vernietiging op grond van dwaling (art. 6:228 lid 2 BW).

Dat is anders als het gaat om het schenden van de mededelingsplicht (art. 6:228 lid 1 sub b BW). Onder verwijzing naar HR 21 februari 2014 ( ECLI:NL:HR:2014:416 ) overweegt het hof als volgt. De overmaking van € 100.000 van Louis aan Charlotte vond plaats binnen een liefdesrelatie. Louis stelt dat Charlotte er een seksuele relatie met Pieter op nahield gedurende de gehele periode waarin zij een relatie met hem had. Daarvan heeft zij hem niet op de hoogte gebracht, terwijl zij wist, althans behoorde te weten, dat dit voor hem relevante informatie was. Louis had Charlotte het bedrag nooit verstrekt wanneer hij had geweten van die andere relatie.

Volgens het hof heeft Louis voldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat hij de schenking bij een juiste voorstelling van zaken (als hij wist van de seksuele relatie tussen Charlotte en Pieter) niet zou hebben gedaan. Als Charlotte een seksuele relatie had met Pieter op het moment van de schenking, had zij, in verband met hetgeen zij omtrent de achtergrond van de schenking wist of behoorde te weten en de hoogte van het bedrag, Louis behoren in te lichten en wist zij, of had zij behoren te weten, dat Louis met die wetenschap de schenking niet zou hebben gedaan. Of Charlotte Louis had behoren in te lichten, is afhankelijk van de vraag of zij daadwerkelijk ten tijde van de betaling een seksuele relatie had met Pieter, hetgeen zij ontkent.

Het hof stelt Louis in de gelegenheid te bewijzen dat Charlotte ten tijde van de schenking een seksuele relatie had met Pieter, en houdt iedere verdere beslissing aan.

Wij zijn benieuwd naar het vervolg en houden je op de hoogte!

Procedures in het familierecht zijn altijd onzeker. Het is dus van groot belang om in dergelijke zaken bijstand te zoeken van een gespecialiseerde familierechtadvocaat die jou hierbij kan helpen en samen met jou kan afwegen of het zinvol is om een procedure te starten. Een advocaat waar je een klik mee hebt, die met je meedenkt en de schade voor jou en de andere betrokken zoveel mogelijk probeert te beperken. Nog beter is om het overleg te zoeken en zo tot een oplossing te komen waar jullie beiden achter kunnen staan.

Wampie van Arkel en Anouk Hansma helpen je hier graag bij.