Uit de relatie tussen Leon en Brenda zijn twee (nu nog minderjarige) kinderen geboren. Het gezin woont in een woning die gemeenschappelijk eigendom is. In 2000 ondertekenen Leon en Brenda een notarieel samenlevingscontract, waarvan art. 10 luidt:

‘Ingeval de overeenkomst eindigt anders dan door overlijden van één van de partijen, heeft ieder van de partijen het recht zich tot de kantonrechter te wenden met het verzoek uit te spreken dat hij of zij – met uitsluiting van de andere partij – nog zes maanden mag blijven wonen in de laatstelijk door beiden bewoonde woning. De kantonrechter zal daarbij afwegen de belangen die partijen hebben om in de woning te blijven en de mogelijkheid andere woonruimte te vinden.’

In oktober 2018 verbreken Leon en Brenda hun relatie en samenwoning, als Leon de woning verlaat en ergens anders zijn intrek neemt. In juni 2019 zegt Leon, bij aangetekend schrijven, de samenlevingsovereenkomst op. Brenda en de kinderen wonen nog altijd in de gezamenlijke woning, waarvan Leon het merendeel van de maandelijkse lasten voldoet.

Onder verwijzing naar art. 10 van het samenlevingscontract en art. 3:178 lid 3 BW vordert Leon veroordeling van Brenda om haar volledige medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan een derde. Noch Leon noch Brenda wenst de woning toebedeeld te krijgen, omdat de financiële mogelijkheden daarvoor bij hen ontbreken. Zij zijn het erover eens dat de woning moet worden verkocht, maar twisten over de vraag wanneer daartoe moet worden overgegaan. Leon wil dat de verkoop op korte termijn wordt gerealiseerd, Brenda betoogt dat dat redelijkerwijs niet tot de mogelijkheden behoort.

De rechtbank stelt vast dat partijen ten aanzien van de eventuele verkoop van de woning tegengestelde belangen hebben. Het belang van Leon is gelegen in zijn wens om verder te gaan met zijn leven en minder te kunnen werken. Dat laatste behoort momenteel volgens hem niet tot de mogelijkheden, omdat de aan de woning verbonden vaste lasten (grotendeels) voor zijn rekening komen. Het belang van Brenda is gelegen in de noodzaak om voor zichzelf en de kinderen te kunnen blijven beschikken over geschikte woonruimte. Brenda verwacht dat, zolang zij niet als urgent woningzoekende wordt aangemerkt, het haar niet zal lukken om binnen 5-7 jaar vervangende (en voor haar betaalbare) woonruimte te verkrijgen. Zolang daar geen verandering in komt, zullen zij en de kinderen bij verkoop van de woning op straat komen te staan.

Gebleken is dat Brenda geen reële mogelijkheden heeft om binnen afzienbare termijn vervangende woonruimte te verkrijgen. Zij komt niet in aanmerking voor een hypotheek en is dus afhankelijk van de (sociale) huursector. Niet kan worden gezegd dat Brenda zich onvoldoende heeft ingespannen om vervangende woonruimte te vinden. Zo heeft zij zich al in december 2018 ingeschreven bij de woningbouwvereniging en staat zij ook ingeschreven bij diverse woonsites. Zij wordt door de woningbouwvereniging niet als urgent woningzoekende aangemerkt, waardoor de verwachting dat zij binnen afzienbare tijd in aanmerking komt voor een passende huurwoning, niet realistisch is. Dat in de huidige tijd het aanbod van woonruimte schaars is en de vraag ernaar hoog, is een feit van algemene bekendheid.

Leon heeft ter zitting verklaard dat hij had begrepen dat een in een vonnis aan Brenda gegeven bevel om mee te werken aan de verkoop van de woning, ertoe zal leiden dat zij door de woningbouwvereniging als urgent woningzoekende zal worden aangemerkt, wat de kansen op het verkrijgen van een passende woning aanmerkelijk zal vergroten. Met dit doel heeft hij de vordering ingesteld. Brenda betwist dat zij, na toewijzend vonnis, als urgent woningzoekende zal worden aangemerkt. Dat was in het verleden zo, maar die handelwijze wordt volgens haar al enkele jaren niet meer toegepast. Leon heeft hierop ter zitting niet meer inhoudelijk gereageerd, zodat de rechtbank van de juistheid van de stelling van Brenda uitgaat.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het belang van Brenda bij voortgezet verblijf in de gezamenlijke woning aanmerkelijk groter acht dan de belangen van Leon bij de verkoop daarvan. Doorzetting van de wens tot verkoop, zal leiden tot het ontstaan van een noodsituatie bij Brenda. Mede in het licht van de eisen van redelijkheid en billijkheid ( art. 3:166 lid 3 BW ) moet Leon vooralsnog afzien van zijn wens tot verkoop van de woning.

De rechtbank verwerpt het beroep van Leon op art. 10 van de samenlevingsovereenkomst. Dit artikel ziet slechts op de situatie waarin twee voormalig samenlevende partijen het niet eens kunnen worden over wie van beiden na de beëindiging van de samenleving de gezamenlijke woning mag blijven bewonen. Dat is hier niet aan de orde. De rechtbank wijst de vordering af.

Het is bijzonder aan te raden om bijstand te zoeken van een gespecialiseerde familierechtadvocaat die jou bij dergelijke kwesties kan helpen. Een advocaat waar je een klik mee hebt, die met je meedenkt en de schade voor jou en de andere betrokken zoveel mogelijk probeert te beperken. Nog beter is om het overleg te zoeken en zo tot een oplossing te komen waar jullie beiden achter kunnen staan.

We helpen je hier graag bij.