Theo en Eva hebben sinds 2002 een relatie met elkaar. Uit die relatie zijn twee kinderen geboren, over wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. In 2016 verbreken zij hun relatie. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij Eva. Tussen de kinderen en Theo is een omgangsregeling van kracht. Op 24 juli 2016 hebben Theo en Eva een overeenkomst ondertekend, waarin zij de door Theo te betalen kinderalimentatie hebben vastgesteld op € 300 per kind per maand.

Eva verzoekt de rechtbank, met een beroep op artikel 1:401 lid 5 BW (grove miskenning van de wettelijke maatstaven), de door Theo aan haar te betalen kinderalimentatie gewijzigd vast te stellen op € 1.135 per kind per maand. De rechtbank wijst het verzoek af. Eva gaat in hoger beroep.

Eva stelt dat de rechtbank, bij de vaststelling van de behoefte van de kinderen, ten onrechte is uitgegaan van het maximale bedrag van de tabel Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen, zoals gehanteerd in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen. Volgens Eva sluit die zogeheten NIBUD-tabel niet aan bij de situatie van partijen gedurende de samenleving, aangezien zij en Theo een (veel) hoger netto besteedbaar gezinsinkomen hadden dan het maximale netto besteedbaar gezinsinkomen van € 6.000 per maand, waarvan in bedoelde tabel wordt uitgegaan.

Het hof is met Eva van oordeel dat het bij de bepaling van de behoefte van de kinderen niet voor de hand ligt dat die behoefte bij een netto maandinkomen van € 13.375, zoals bij Theo en Eva het geval was, gelijk is aan de behoefte bij het hoogste in de tabel voorkomende netto maandinkomen van € 6.000. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Hoge Raad acht het hof het in dit geval niet aannemelijk dat in het hoogste tabelbedrag alle normale, in de inkomenscategorie van Theo en Eva te maken, kosten zijn begrepen en dat ook hier het welvaartsniveau ten tijde van de samenleving van partijen een rol speelt.

Eva heeft haar stelling dat moet worden uitgegaan van een hogere behoefte van de kinderen onderbouwd aan de hand van twee behoeftelijstjes met alle kosten van de kinderen, waaruit een totale behoefte van de kinderen van € 2.925 per maand volgt. Hiertegen is door Theo slechts in algemene zin verweer gevoerd. Hij heeft aangevoerd dat de door Eva in de behoeftelijstjes opgevoerde kosten niet voldoen aan het vereiste van uitzonderlijkheid, zodat geen afwijking wordt gerechtvaardigd van de behoefte die is gekoppeld aan het hoogste in de tabel voorkomende netto maandinkomen van € 6.000. Deze betwisting acht het hof onvoldoende.

Ten aanzien van de door haar overgelegde behoeftelijstjes stelt Eva dat hierin niet alleen zijn opgenomen (1) de door haar gedurende het laatste jaar van de samenleving van partijen ten behoeve van de kinderen vanaf haar privérekening betaalde kosten, maar ook (2) de kosten van de kinderen die zijn voldaan vanaf de en/of-rekening van partijen, welke rekening maandelijks door Theo en Eva vanaf hun respectieve privérekeningen werd gevoed. Volgens Eva is in haar behoeftelijstjes geen rekening gehouden met uitgaven die vanaf de privérekening van Theo ten behoeve van de kinderen zijn gedaan in het laatste jaar van de samenleving, omdat zij daar geen zicht op heeft. Eva stelt daarom dat de behoefte van de kinderen ‘ten minste’ € 2.925 per maand bedraagt.

Indien de stelling van Eva luidt dat zij sinds de scheiding alle op de behoeftelijstjes vermelde kosten voor haar eigen rekening heeft genomen, moet ervan worden uitgegaan dat de behoefte van de kinderen € 2.925 per maand bedraagt. Over hetgeen Theo vanaf zijn eigen privérekening aan de kinderen uitgeeft, heeft hij niets gesteld, zodat het hof bij de bepaling van de behoefte van de kinderen daarmee geen rekening houdt.

Gelet hierop bepaalt het hof de behoefte van de kinderen in redelijkheid op in totaal € 2.925 per maand, ofwel € 1.462,50 per kind per maand. Dit betekent dat de in de overeenkomst van 24 juli 2016 door partijen vastgelegde afspraken over de door Theo aan Eva te betalen kinderalimentatie, in ieder geval op het punt van de behoefte van de kinderen, zijn aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Immers, niet alleen blijkt uit de gemaakte afspraken niet van welke behoefte van de kinderen Theo en Eva zijn uitgegaan, maar bovendien vallen de gemaakte afspraken op geen enkele wijze cijfermatig te rijmen met de door het hof vastgestelde behoefte van de kinderen van € 1.462,50 per kind per maand.

Met Eva is het hof van oordeel dat geen zorgkorting moet worden toegepast. De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte. Het percentage van die zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg. De achtergrond en rechtvaardiging voor toepassing van die zorgkorting is dat, indien de kinderen (in het kader van de zorg- en contactregeling) bij de niet-verzorgende ouder verblijven, deze ouder kosten ten behoeve van de kinderen maakt, die de verzorgende ouder zich bespaart. In deze zaak is er geen plaats voor toepassing van de zorgkorting, nu bij Eva van een dergelijke kostenbesparing geen sprake is. Vast staat namelijk dat in de door Eva overgelegde behoeftelijstjes alleen kosten van de kinderen staan vermeld die hetzij Eva zelf draagt, hetzij worden betaald vanaf de en/of-rekening van partijen, terwijl gesteld noch gebleken is dat Theo kosten ten behoeve van de kinderen maakt die Eva zich bespaart. Met Eva is ook het hof van oordeel dat Theo bij toepassing van de zorgkorting twee keer korting zou krijgen: één maal omdat bij het bepalen van de behoefte van de kinderen geen rekening is gehouden met de verblijfskosten van de kinderen bij Theo, en nogmaals omdat over de lagere kosten van de kinderen een zorgkorting wordt toegepast, zonder dat aan de zijde van Eva sprake is van een besparing.

Na berekening van draagkracht, en na het maken van een draagkrachtvergelijking, vernietigt het hof de beschikking van de rechtbank en stelt de door Theo aan Eva te betalen kinderalimentatie vast op € 1.053 per kind per maand. Dit betekent dat Eva € 1.506 meer aan kinderalimentatie ontvangt iedere maand.

Procedures in het familierecht zijn als tijd onzeker. Het is dus van groot belang om in dergelijke zaken bijstand te zoeken van een gespecialiseerde familierechtadvocaat die jou hierbij kan helpen en samen met jou kan afwegen of het zinvol is om een procedure te starten. Een advocaat waar je een klik mee hebt, die met je meedenkt en de schade voor jou en de andere betrokken zoveel mogelijk probeert te beperken. Nog beter is om het overleg te zoeken en zo tot een oplossing te komen waar jullie beiden achter kunnen staan.

Wampie van Arkel en Anouk Hansma helpen je hier graag bij.