Veel ouders sparen maandelijks voor hun minderjarige kinderen. Een mooi spaarpotje voor later, om bijvoorbeeld een studie te bekostigen, een mooie reis te maken of rijlessen te nemen. Enkele tientjes per maand kan al met al een hele leuke start opleveren!

Maar wat nou als je als ouder opeens zelf krap zit en eigenlijk dat geld op die rekening nodig hebt om rond te komen? Mag je dan gewoon het spaarpotje van de kinderen aanspreken? Uit diverse uitspraken is gebleken dat dit niet mag; zelfs niet als je van het geld op die rekening iets voor je kind wil kopen of als je bang bent dat je kind niet goed met het geld zal omgaan.

Het geld is en blijft dus van jouw kind. Ik ga er echter wel vanuit dat we het hier hebben over rekeningen die op naam van de kinderen geopend zijn en niet rekeningen die op de eigen naam van de ouder staan. Dat zou namelijk ook een optie om te sparen kunnen zijn; dat je die rekening tot een bepaalde leeftijd beheert en mocht nood aan de man zijn je zelf nog bij dat geld kunt komen, maar als er geld over is je dit jaarlijks wegschenkt.

Onbegrijpelijk is dat het bovenstaande totaal niet te rijmen is met hoe de Belastingdienst en bijvoorbeeld de Raad voor Rechtsbijstand kijken naar geld dat voor kinderen bestemd is.

Sinds een aantal jaren bestaat er geen vrijstelling meer voor spaartegoeden van kinderen in box 3.  Iedere ouder heeft zijn heffingsvrije vermogen (de vrijstelling) in box 3 en daar blijft het bij. Tot de 18-jarige leeftijd van de kinderen moeten ouders het spaargeld van hun kinderen aangeven in hun aangifte IB.

Bij gescheiden ouders ligt dit iets genuanceerder. Indien beide ouders het gezag over het kind hebben, dienen beide ouders 50% van het spaartegoed aan te geven van ieder kind per de peildatum van box 3 (1 januari). Heeft slechts één ouder het gezag dan dient deze ouder 100% van het spaartegoed van het kind op te geven. Bij welke ouder een kind ingeschreven staat, doet er derhalve niet toe.  Welke ouder geld op de spaarrekening van het kind stort, doet er ook niet toe. Het is en blijft onderdeel van het vermogen van de ouder(s).

De Raad voor Rechtsbijstand toetst voor definitieve toekenning van gefinancierde rechtsbijstand het resultaat dat een partij uit een zaak heeft “meegekregen”. Als dit bedrag hoger ligt dan € 12.500,– euro (verdeling bank- en spaarrekeningen, overwaarde woning of polissen etc.) wordt de toevoeging teruggedraaid en dienen de kosten van de advocaat of mediator alsnog zelf betaald te worden. Het vermogen van een kind telt hier ook mee; zelfs als het vermogen van een kind tijdens de echtscheiding buiten de verdeling wordt gehouden, dient het bedrag bij het vermogen van de ouders opgeteld te worden.

Tegenstrijdige boodschappen dus. Laat je goed informeren en wees er in ieder geval op bedacht dat je een en ander juist meeneemt in uw aangifte IB over 2019!