Verschillende uitspraken over de berekening van Kinderalimentatie

Sinds 1 januari jl. is de regelgeving rondom de vaststelling van kinderalimentatie flink gewijzigd. Kinderalimentatie is niet meer fiscaal aftrekbaar. Verder heeft de Expertgroep Alimentatienormen bepaald dat het Kind Gebonden Budget en de daarbij horende Alleenstaande Ouder Kop in zijn geheel van de kosten van de kinderen wordt afgetrokken, voordat deze over de beide ouders worden verdeeld (zie 1). Dat heeft een flink aantal procedures over dit onderwerp veroorzaakt.

De “Haagsche lijn” wint aan invloed

Na een aantal uitspraken van de Rechtbank Den Haag, waarin wordt afgeweken van de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, brengt nu ook de Rechtbank Noord-Holland de alleenstaande ouderkop niet in mindering op de behoefte. De Rechtbank Limburg en het Hof Amsterdam houden op dit moment beslissingen omtrent de kinderalimentatie aan ‘in verband met de ontwikkelingen omtrent het kind gebonden budget en de alleenstaande ouderkop’.

Richtlijnen Expertgroep Alimentatienormen

Bij de vaststelling van kinderalimentatie volgen de gerechten in beginsel de richtlijnen die zijn opgesteld door de landelijke Expertgroep Alimentatienormen. Uit de wetsgeschiedenis (zie 2)  leidt de Rechtbank Noord-Holland af dat het de bedoeling van de wetgever is, dat de alleenstaande-ouderkop ten goede komt aan de alleenstaande verzorgende ouder.

De Rechtbank Noord-Holland (zie 3) overweegt dat:

“Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is, dat de alleenstaande-ouderkop ten goede komt aan de alleenstaande verzorgende ouder. De hiervoor vermelde aanbeveling van de expertgroep heeft in het onderhavige geval echter tot gevolg – zoals de vrouw ook heeft gesteld – dat de vrouw als alimentatiegerechtigde ouder er minder dan de wetgever bedoeld heeft op vooruit gaat, omdat zij minder kinderalimentatie ontvangt. De man zou daarentegen minder hoeven te betalen, terwijl hij wel over draagkracht beschikt om meer bij te dragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.”

“Mede omdat artikel 1:404 BW (dat bepaalt dat ouders verplicht zijn naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen) niet is gewijzigd, zal de rechtbank bovenvermelde aanbeveling voor zover die ziet op de alleenstaande-ouderkop daarom niet opvolgen, en zal — anders dan de aanbeveling — bij het berekenen van de kinderalimentatie het bedrag van de alleenstaande-ouderkop buiten beschouwing laten.”

Vanuit de praktijk is er grote vraag naar het oplossen van het “probleem” dat er op dit moment geen duidelijke lijn te ontdekken is. De oplossing zal waarschijnlijk gevonden moeten worden door het Rapport Alimentatienormen aan te passen. Het is de verwachting dat dat eind april gaat gebeuren. Het Hof Den Haag heeft op 25 maart jl. een uitspraak gedaan (zie 4), waarbij weer wel het volledige kind gebonden budget met de alleenstaande ouder kop in mindering werd gebracht op de kosten van de kinderen.

Kortom, niemand weet meer wat nu de geldende regel is.

We wachten in spanning af wat de lijn zal zijn voor het geval partijen verschillen van mening over de wijze waarop het kind gebonden budget en de alleenstaande ouderkop moet worden meegewogen voor het geval partijen daarover van mening verschillen. Het zou wel zuur zijn voor de niet-verzorgende ouders die op basis van de gewijzigde richtlijn per 1 januari jl. hebben besloten om een wijziging te verzoeken. Als dan – voor er in hun zaak een uitspraak wordt gedaan- de lijn al weer wordt bijgesteld, wordt het gevoel van rechtszekerheid wel getart…

 ——————————————

1. ” Met ingang van 1 januari 2015 komen alleenstaande ouders die in aanmerking komen voor een kindgebonden budget ook in aanmerking voor een verhoging van dit kindgebonden budget met maximaal € 3.050,00 (voor 2015). Deze verhoging wordt de alleenstaande ouderkop genoemd. De expertgroep beveelt aan om dit totale kindgebonden budget in mindering te doen strekken op het gevonden tabelbedrag. Dit kan er in een aantal gevallen toe leiden dat er geen behoefte meer resteert waarin de ouders moeten voorzien. In een dergelijk geval is er dus geen aanleiding voor het opleggen van een onderhoudsbijdrage ten laste van de andere, niet-verzorgende ouder.”

2. “Eén van de doelen van de Wet hervorming kindregelingen is het tegengaan van de armoedeval voor alleenstaande ouders die vanuit de bijstand gaan werken en het aantrekkelijker maken voor alleenstaande ouders om meer te gaan werken. In de wetsgeschiedenis is ten aanzien van de voorgestelde invoering van de alleenstaande-ouderkop het volgende opgemerkt”: werkende alleenstaande ouders hebben in de huidige (tot 1 januari 2015) situatie recht op de aanvullende alleenstaande-ouderkorting. Doordat de alleenstaande-ouderkop hoger is dan het fiscale voordeel dat zij nu genieten, gaan werkende alleenstaande ouders rond het minimum er tot circa 6 2.580 per jaar op vooruit. Dit komt mede doordat zij als gevolg van deze hervorming ook de voorgestelde intensivering op de arbeidskorting kunnen verzilveren. Het aanvaarden van werk vanuit een uitkering wordt daardoor veel aantrekkelijker.” (Kamerstukken 33716, nr. 3, blz. 8).”

3. Rechtbank NoordHolland, 4 maart 2015, C/15/214023 / FA RK 14-1759 (niet gepubliceerd);

4. Gerechtshof Den Haag 25-03-2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:774;